Skip to content

Verklarende woordelijst

Afzetten: Bomen en struiken afzagen op een hoogte die ongeveer gelijk is aan de dikte van de stam of takken. Afgezette bomen en struiken maken nieuwe takken aan vanuit de overgebleven stomp of wortels.
Autochtoon plantgoed (Label ‘Plant van Hier’): Een individuele plant is autochtoon of oorspronkelijk inheems in een bepaalde streek als deze een nakomeling is van planten die zich sinds hun spontane vestiging na de laatste ijstijd altijd natuurlijk hebben verjongd, of die kunstmatig vermeerderd werden met strikt lokaal materiaal.
Berm: Een strook grond of gras langs de zijkant van een weg.
Bomenrij: Lijnvormige aanplant van bomen.
Bosgoed: Plantgoed dat 2 à 3 jaar oud en ongeveer 80 tot 120 cm lang is en standaard gebruikt wordt bij aanplantingen.
Bos(je): Vlakvormige aanplant waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken.
Bosrand: Overgang tussen een open terrein en een . Een ecologisch goede bosrand bestaat uit een mantel en een zoom. De mantel is een struikzone. De zoom is een zone met ruigtekruiden. De breedte van een goede bosrand varieert tussen de 1 tot 1,5 maal de boomhoogte.
Gemeenteweg: Openbare weg die onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente valt, ongeacht de eigenaar van de grond.
Haag: Dichte en doorlopende rij houtige struiken die door regelmatige en frequente snoei in vorm gehouden wordt.
Heg: Dichte en doorlopende rij houtige struiken met een minimaal beheer.
Hakhoutbosje: Bos(je) dat beheerd wordt door periodiek afzetten tot op een hoogte die ongeveer gelijk is aan de dikte van de stam of takken.
Herstelaanplant: Aanplanten van plantgoed om gaten te dichten in lijn- of vlakvormige aanplantingen om het oorspronkelijke streefbeeld te herstellen.
Hoogstammig plantgoed: Plantgoed met een takvrije stam en op 180 à 200 cm het begin van de kruin.
Hoogstamboomgaard: Aanplant van hoogstamfruitbomen in grasland in een regelmatig plantverband.
Hoogstamfruitboom: Fruitboom met een takvrije stam van minstens 180 cm.
Hooiland: Grasland met potentiële ecologische waarde, waarbij het gras periodiek wordt gemaaid en afgevoerd.
Houtig erfgoed: Beplantingsvormen die representatief zijn voor het werk van de mens of van de natuur of van beiden samen. Ze vertellen iets over de geschiedenis van een bepaalde plaats. Ze illustreren oude gebruiken (bijvoorbeeld gerechtsbomen, kapelbomen, hoekbomen, welkomstbomen), historisch landgebruik (geriefhoutbosjes, knotbomen, boomgaarden…) of bepaalde technieken (leifruit, gevlochten hagen, schermbomen), ...
Houtkant: Doorlopende rij boomvormende en struikvormende soorten die beheerd worden door periodiek afzetten tot op een hoogte die ongeveer gelijk is aan de dikte van de stam.
Inheemse (planten)soorten: Plantensoorten die van nature voorkomen in een streek sinds de laatste ijstijd. Ze leveren een positieve bijdrage aan het voor de streek typische landschap en de biodiversiteit. Inheems plantgoed is niet persé autochtoon: veel inheems plantgoed is gegroeid uit zaden die niet afkomstig zijn uit onze streek. Een lijst met inheemse soorten is te vinden op
Kleine landschapselementen: Lijn- of puntvormige elementen met inbegrip van de bijhorende vegetaties waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet resultaat zijn van menselijk handelen en die deel uitmaken van de natuur zoals bermen, bomen, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, sloten, struwelen, poelen, …
Knotboom: Boom die door periodiek knotten beheerd wordt. Het gaat zowel om de snelgroeiende soorten wilg en populier als trager groeiende soorten zoals els, es, haagbeuk, eik en linde.
Leiden van hagen en heggen: Vlechten van jonge twijgen of inkappen en vervolgens neerleggen van oudere stammen met als doel het bekomen van een dichte vlechtheg.
Oude fruitrassen: Oude lokale en regionale fruitrassen, horend tot het Vlaams erfgoed. Als referentielijst worden de lijsten opgemaakt door de Nationale Boomgaardenstichting gebruikt. Beschikbaar op of aan te vragen bij de gemeentelijke XXX-dienst of .
Plantaardige beheerresten: Plantaardig materiaal zoals maaisel, bladeren en takken dat vrijkomt bij beheerwerken.
Plantsnoei: Snoei die wordt uitgevoerd vlak voor of direct na het aanplanten van fruitbomen waarbij 1 centrale harttak en 3 à 4 gesteltakken goed verdeeld over de stam worden behouden.
Poel: Meestal door de mens uitgegraven waterpartij zonder kunstmatige waterdoorlatende laag die voornamelijk door grondwater gevoed wordt.
Rijpe compost: Compost die ouder is dan 12 maanden
Ruigte: Vegetatie die spontaan ontstaat uit graslanden als die een paar jaar niet gemaaid worden of op verstoorde gronden voordat er struweel of bos op groeit en die bestaat uit voornamelijk snelgroeiende kruidachtige plantensoorten.
Scheren: Jaarlijks of tweejaarlijks snoeien van een haag.
Slibruimen: Verwijderen van sediment dat zich ophoopt op de bodem van poelen en sloten en dat bestaat uit afgebroken resten van bladeren, stengels, takken en afvalstoffen.
Sloot (of gracht): Ten behoeve van waterafvoer of ontwatering gegraven langwerpige waterelementen met natuurlijke oevers die niet geklasseerd zijn als waterloop die gevoed worden door regen- en/of grondwater en die het grootste deel van het jaar van nature waterhoudend zijn zonder dat er een kunstmatige waterondoorlatende laag werd aangebracht.
Solitaire boom: Alleenstaande boom.
Spil (of veer): Niet opgesnoeid hoogstammig plantgoed dat zeer geschikt is voor landschappelijke aanplantingen.
Streekeigen (planten)soorten: plantensoorten die eigen zijn aan een bepaalde streek omdat ze inheems zijn of een cultuurhistorische link met de streek hebben en daardoor al lange tijd in de streek voorkomen
Struweel: Vlakvormige aanplant die wordt gedomineerd door struiken die kunnen uitgroeien en eventueel sporadisch worden gesnoeid.
Trage weg: Gemeentewegen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor niet-gemotoriseerd verkeer.
Terugsnoeien: Snoeien van (vlecht)heggen of houtkanten tot op de gesteltakken. Dat voorkomt dat de landschapselementen te hoog en breed uitgroeien. Uit de gesteltakken lopen de planten opnieuw uit.
Vlechtheg: Heg of haag die ondoordringbaar wordt gemaakt door te leiden.
Waardevolle boom: Een boom die nationaal- of regionaal een belangrijke plek inneemt in de geschiedenis en/of bijzonder is op basis van leeftijd, omvang of bereikte hoogte of zich onderscheid qua functie in het landschap en/of zeldzaam is in België qua soort of variëteit en/of bijzondere planten of dieren herbergt


Want to print your doc?
This is not the way.
Try clicking the ··· in the right corner or using a keyboard shortcut (
CtrlP
) instead.